Bank zegt rekening op na KYC-onderzoek: wanneer kan een kort geding helpen?

Bank zegt rekening op na KYC-onderzoek: wanneer kan een kort geding helpen?

Een bank die vragen stelt over transacties, vastgoed of de herkomst van geld: voor veel ondernemers is het inmiddels een bekend verschijnsel. Maar wat als zo’n KYC-onderzoek eindigt met de mededeling dat de bank de relatie beëindigt?

Een recente uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland laat zien dat een bank niet simpelweg kan volstaan met de mededeling dat sprake is van “integriteitsrisico’s”. De bank moet kunnen uitleggen waarom het cliëntenonderzoek niet kan worden afgerond. En juist daar kan in een kort geding veel van afhangen.

Op 8 juli 2026 bepaalde de voorzieningenrechter dat ABN AMRO de bankrelatie met een klant moest herstellen en diens registratie op de interne CAAML-lijst moest verwijderen. De uitspraak is op 12 augustus 2026 gepubliceerd: ECLI:NL:RBMNE:2026:5458.

Wat was er aan de hand?

De klant hield zich onder meer bezig met vastgoed en het verstrekken van leningen. De bank was een omvangrijk cliëntenonderzoek begonnen naar een groep onderling verbonden personen en ondernemingen. Aanleiding waren onder andere vastgoedtransacties, geldstromen binnen het netwerk en strafrechtelijke verdenkingen rond personen uit dat netwerk.

De klant zelf werd vervolgens geconfronteerd met twee ingrijpende maatregelen: zijn bankrelatie werd beëindigd én hij werd opgenomen in het interne CAAML-register van de bank. Zo’n registratie kan bovendien gevolgen hebben voor de mogelijkheid om in de toekomst bij de bank zaken te doen.

De klant liet het daar niet bij zitten en begon een kort geding.

Een bank heeft Wwft-verplichtingen, maar moet haar huiswerk wel doen

Banken zijn op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verplicht hun klanten te onderzoeken. Kan een bank het cliëntenonderzoek niet afronden, dan kan artikel 5 lid 3 Wwft meebrengen dat de zakelijke relatie moet worden beëindigd.

Dat geeft een bank echter geen vrijbrief.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de bank aannemelijk moet maken dat zij het onderzoek zorgvuldig heeft uitgevoerd en terecht tot de conclusie is gekomen dat het cliëntenonderzoek niet positief kon worden afgerond. Een klant moet bovendien voldoende gelegenheid hebben gekregen om vragen te beantwoorden. Reageert een klant uitvoerig, dan mag ook van de bank een behoorlijke motivering worden verwacht.

De rechter kijkt naar het moment van de opzegging

Interessant is ook het toetsmoment.

De rechter beoordeelt in beginsel ex tunc: kon de bank op het moment waarop zij de bankrelatie beëindigde op basis van de informatie die zij toen had daadwerkelijk concluderen dat zij niet aan haar Wwft-verplichtingen kon voldoen?

Dat betekent dat het in een procedure belangrijk kan zijn om heel precies te reconstrueren welke vragen de bank heeft gesteld, welke antwoorden daarop zijn gegeven en wat de bank op het moment van opzegging daadwerkelijk wist.

In deze zaak vond de rechter de onderbouwing van de bank onvoldoende. De bank had onder meer gewezen op de herkomst van middelen, zakelijke banden met andere betrokkenen, leningen waarvoor geen schriftelijke overeenkomsten bestonden en een volgens de bank opmerkelijk rentepercentage. Daarmee had de bank volgens de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat het cliëntenonderzoek werkelijk niet kon worden afgerond.

Bankrekening binnen 48 uur herstellen

De consequentie was stevig.

ABN AMRO moest binnen 48 uur na betekening van het vonnis de bankrelatie voortzetten of herstellen en de bankrekeningen heropenen. Ook moest de CAAML-registratie binnen 48 uur worden verwijderd.

Opvallend: een andere klant uit hetzelfde onderzoek verloor wél

Misschien is dit nog wel het interessantste aan de uitspraak.

In hetzelfde omvangrijke cliëntenonderzoek waren meerdere klanten betrokken. In een andere kortgedingprocedure uit hetzelfde klantencomplex kwam de Rechtbank Midden-Nederland tot de tegenovergestelde conclusie.

Daar mocht ABN AMRO de relatie wél beëindigen. De bank had volgens de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat zij het cliëntenonderzoek niet positief kon afronden. Die uitspraak, ECLI:NL:RBMNE:2026:6199, is op 11 september 2026 gepubliceerd.

Dat verschil is belangrijk. Het enkele feit dat iemand zakelijke of financiële banden heeft met personen of ondernemingen die voor een bank aanleiding geven tot nader onderzoek, betekent niet automatisch dat iedere klant binnen zo’n netwerk op dezelfde manier mag worden behandeld.

De concrete transacties, de gestelde vragen, de gegeven antwoorden en vooral de motivering van de bank blijven beslissend.

Kort geding tegen een bank

Wie een brief ontvangt waarin een bank aankondigt de rekening te beëindigen vanwege een KYC- of Wwft-onderzoek, doet er verstandig aan niet alleen naar de algemene beschuldigingen van de bank te kijken.

Juist de details kunnen doorslaggevend zijn. Welke concrete vragen zijn onbeantwoord gebleven? Welke transacties kan de bank niet verklaren? Heeft de klant documenten aangeleverd? Heeft de bank die informatie daadwerkelijk meegewogen? En volgt uit de resterende vragen werkelijk dat het cliëntenonderzoek niet kan worden afgerond?

Een kort geding kan vervolgens een geschikt middel zijn als de beëindiging op korte termijn ingrijpende gevolgen heeft. Deze uitspraak laat zien dat de rechter ook in een Wwft-zaak kritisch kan toetsen of de bank voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

Uitspraak: Rechtbank Midden-Nederland 8 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5458.
Lees de uitspraak op Rechtspraak.nl

Vragen: Jasper Hagers staat u graag bij.