Bankrekening of betaaldienst opgezegd? Wanneer mag een bank de relatie beëindigen?

Bankrekening of betaaldienst opgezegd? Wanneer mag een bank de relatie beëindigen?

Jasper Hagers – Fennek Advocaten

Een bank die plotseling aankondigt de bancaire relatie te beëindigen, kan een onderneming voor grote problemen stellen. Zonder betaalrekening of betaaldienst kunnen salarissen en leveranciers niet worden betaald, kunnen klanten soms niet meer afrekenen en kan de bedrijfsvoering zelfs geheel tot stilstand komen.

Banken en betaaldienstverleners hebben contractueel vaak ruime mogelijkheden om hun dienstverlening te beëindigen. Dat betekent echter niet dat iedere opzegging juridisch standhoudt. Integendeel: uit de rechtspraak blijkt dat een financiële instelling zorgvuldig moet handelen en in veel gevallen concreet moet kunnen uitleggen waarom haar belang bij beëindiging zwaarder weegt dan het belang van de klant bij voortzetting.

Wanneer mag een bank of betaaldienstverlener de relatie beëindigen? En wat kunt u doen wanneer uw rekening wordt opgezegd?

Een bank kan niet zonder meer opzeggen

De verhouding tussen een bank en haar klant wordt in de eerste plaats bepaald door de overeenkomst en de toepasselijke algemene voorwaarden. Bij banken zijn veelal de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) van toepassing.

Artikel 35 ABV geeft zowel de bank als de klant in beginsel de mogelijkheid de bancaire relatie schriftelijk geheel of gedeeltelijk op te zeggen. Daarvoor hoeft niet noodzakelijk sprake te zijn van een tekortkoming of verzuim van de klant.

Een opzegging kan bovendien verder gaan dan alleen de betaalrekening. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen bijvoorbeeld ook een rekening-courant, spaarrekening, krediet of andere bancaire producten worden geraakt.

Maar het bestaan van een contractuele opzeggingsbevoegdheid is slechts het begin van de juridische beoordeling.

Redelijkheid en billijkheid begrenzen de opzeggingsbevoegdheid

Ook wanneer een bank volgens haar algemene voorwaarden mag opzeggen, kan het gebruik van die bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Artikel 6:248 lid 2 BW vormt daarbij een belangrijke juridische grens.

De Hoge Raad heeft bevestigd dat bij de beoordeling van een contractuele opzeggingsbevoegdheid alle omstandigheden van het concrete geval van belang kunnen zijn (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929).

Deze toets wordt ook toegepast bij financiële dienstverlening en bij betaaldienstverleners. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2023 over betaaldienstverlener Mollie (ECLI:NL:GHAMS:2023:3304) en uit Rechtbank Amsterdam 5 maart 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1237).

De kern is dat een contractuele bevoegdheid om op te zeggen geen vrijbrief is.

De zorgplicht van de bank

Bij de beoordeling speelt daarnaast de zorgplicht van de bank een belangrijke rol.

Artikel 2 ABV bepaalt dat een bank bij haar dienstverlening zorgvuldig moet zijn en naar beste vermogen rekening moet houden met de belangen van haar klant. Die verplichting hangt samen met de bijzondere maatschappelijke positie die banken innemen.

Ook bij een beëindiging van de bancaire relatie kan die zorgplicht zwaar wegen. De bank zal daarom niet alleen naar haar eigen belang mogen kijken, maar ook naar de soms zeer ingrijpende gevolgen van een beëindiging voor haar klant.

Dat is in het bijzonder relevant wanneer een onderneming zonder bankrekening feitelijk niet meer kan functioneren of wanneer het voor de klant moeilijk of onmogelijk is om binnen korte tijd bij een andere financiële instelling terecht te kunnen.

Welke belangen weegt de rechter?

Een procedure over de beëindiging van een bankrelatie is doorgaans sterk feitelijk van aard. De rechter kijkt niet alleen naar de door de bank aangevoerde opzeggingsgrond, maar naar het gehele feitencomplex.

Onder meer kunnen van belang zijn:

  • de concrete reden voor beëindiging;
  • de ernst van het door de bank gestelde risico;
  • de wijze waarop het klantonderzoek is uitgevoerd;
  • de vragen die de bank aan de klant heeft gesteld;
  • de antwoorden en documenten die de klant heeft verstrekt;
  • de mate waarin de klant aan het onderzoek heeft meegewerkt;
  • de afhankelijkheid van de klant van de betreffende rekening of dienst;
  • de mogelijkheid om elders bancaire dienstverlening te verkrijgen;
  • de gehanteerde opzegtermijn;
  • de gevolgen van beëindiging voor de onderneming;
  • de vraag of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren; en
  • de wijze waarop de bank haar beslissing heeft gemotiveerd.

De uitkomst kan daardoor van zaak tot zaak aanzienlijk verschillen.

Zo accepteerde de Rechtbank Amsterdam een opzegging die samenhing met het beleid van een bank om internationale activiteiten vanwege onder meer compliancekosten terug te dringen. Daarbij was van belang dat de klant niet afhankelijk was van de betreffende rekening en via andere banken aan het economisch verkeer kon blijven deelnemen (Rb. Amsterdam 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5062).

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde daarentegen dat een bank onrechtmatig had gehandeld door overhaast tot onmiddellijke beëindiging over te gaan terwijl zij van een onvolledig beeld van de feiten was uitgegaan (Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1989).

Het verschil tussen beide uitspraken illustreert een belangrijk punt: niet alleen de opzeggingsgrond telt, maar ook de zorgvuldigheid waarmee de bank tot haar beslissing is gekomen.

Mag een bank een hele branche uitsluiten?

Extra kritisch kan de situatie worden wanneer niet het individuele gedrag van een klant centraal staat, maar de branche waarin die klant actief is.

Een financiële instelling kan niet zonder meer aannemen dat iedere onderneming binnen een bepaalde sector een zodanig integriteits- of compliance-risico vormt dat dienstverlening categorisch kan worden geweigerd of beëindigd.

Een individuele beoordeling blijft in veel gevallen noodzakelijk.

Dat speelt bijvoorbeeld bij sectoren die banken als verhoogd risico beschouwen. Het enkele feit dat een onderneming binnen een dergelijke branche actief is, betekent nog niet automatisch dat sprake is van een onaanvaardbaar integriteitsrisico.

Ook bij betaaldienstverlening is deze problematiek actueel. De Rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 6 maart 2026 in een zaak over de beëindiging van betaaldiensten aan coffeeshops dat de betaaldienstverlener de overeenkomsten niet zonder meer categoraal mocht beëindigen. Daarbij speelde onder meer een rol dat meer dan 80% van de betalingen via pin verliep en dat op korte termijn geen reëel alternatief beschikbaar was (ECLI:NL:RBMNE:2026:881).

De praktische gevolgen van de beëindiging kunnen dus zwaar meewegen.

De Wwft: wanneer moet een bank juist beëindigen?

Een belangrijk onderscheid moet worden gemaakt met situaties waarin de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) de bank verplicht in te grijpen.

Banken moeten op grond van de Wwft cliëntenonderzoek uitvoeren. Zij moeten onder meer inzicht kunnen krijgen in de klant, de activiteiten van de klant, de herkomst van gelden en – afhankelijk van het risicoprofiel – bepaalde transacties kunnen begrijpen.

De klant moet aan een dergelijk onderzoek meewerken.

Kan een bank het wettelijk vereiste cliëntenonderzoek niet voltooien, dan kan artikel 5 lid 3 Wwft meebrengen dat de bank de zakelijke relatie niet mag voortzetten.

Dat is juridisch een wezenlijk andere situatie dan een bank die wil opzeggen op grond van een contractuele bevoegdheid. Indien de Wwft daadwerkelijk tot beëindiging verplicht, bestaat voor een belangenafweging vanzelfsprekend veel minder ruimte.

Maar ook dan is de discussie niet noodzakelijk voorbij.

De vraag kan bijvoorbeeld zijn waarom het cliëntenonderzoek niet kon worden afgerond. Heeft de bank concrete en relevante vragen gesteld? Heeft de klant daarop geantwoord? Zijn verstrekte documenten daadwerkelijk beoordeeld? Heeft de bank voldoende duidelijk gemaakt welke informatie nog ontbreekt? En rechtvaardigen eventuele onduidelijkheden werkelijk de conclusie dat het cliëntenonderzoek niet kan worden voltooid?

De enkele verwijzing naar de Wwft betekent dus niet automatisch dat iedere beëindiging gerechtvaardigd is.

In Rechtbank Rotterdam 27 maart 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:3985) kwam bovendien naar voren dat beëindiging van de relatie met een onderneming niet zonder meer betekent dat ook de persoonlijke bancaire relatie met haar bestuurder of UBO mag worden beëindigd. Ook daarvoor moet voldoende grond bestaan.

Sanctieregelgeving

Naast de Wwft kunnen internationale en Europese sanctieregels een rol spelen.

Financiële instellingen moeten voorkomen dat zij in strijd handelen met toepasselijke sanctieregelgeving. Zeker sinds de uitbreiding van de Europese sanctiepakketten naar aanleiding van de Russische invasie van Oekraïne is dit een belangrijk onderdeel geworden van het compliancebeleid van banken.

Ook sanctierisico’s kunnen onder omstandigheden een grond vormen om dienstverlening te beperken of te beëindigen. Maar ook hier moet worden onderzocht welke concrete sanctieregel van toepassing is, welk risico daadwerkelijk bestaat en of de door de bank getroffen maatregel daarop aansluit.

Zie bijvoorbeeld Rechtbank Rotterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2409.

Wat kunt u doen wanneer uw bankrekening wordt opgezegd?

Een opzeggingsbrief hoeft niet zonder meer het einde van de discussie te betekenen.

Juist omdat de gevolgen groot kunnen zijn, is het verstandig om snel te laten beoordelen waarop de bank haar beslissing baseert. Daarbij moet niet alleen naar de opzeggingsbrief worden gekeken. Ook eerdere informatieverzoeken van de bank, de daarop gegeven antwoorden, het klantdossier en de toepasselijke algemene voorwaarden kunnen belangrijk zijn.

Een aantal vragen staat daarbij centraal. Is de door de bank gestelde feitelijke grondslag juist? Heeft de klant daadwerkelijk onvoldoende meegewerkt? Is voldoende concreet gemaakt welk integriteits- of Wwft-risico bestaat? Heeft de bank relevante informatie van de klant meegewogen? Is een redelijke opzegtermijn gehanteerd? En kan de klant daadwerkelijk bij een andere bank of betaaldienstverlener terecht?

Wanneer de opzegging onvoldoende is onderbouwd, kan eerst schriftelijk bezwaar worden gemaakt en de bank worden gesommeerd de dienstverlening voort te zetten.

Is de situatie spoedeisend – bijvoorbeeld omdat een betaalrekening op korte termijn wordt geblokkeerd of beëindigd – dan kan een kort geding noodzakelijk zijn. Daarin kan onder omstandigheden worden gevorderd dat de bank de dienstverlening voorlopig voortzet of uitvoering van de opzegging opschort totdat de zaak inhoudelijk is beoordeeld.

Bankrekening of betaaldienst opgezegd? Wanneer mag een bank de relatie beëindigen?

Fennek Advocaten staat zowel ondernemingen als particulieren bij in geschillen met banken en betaaldienstverleners. Daarbij gaat het onder meer om beëindiging van bankrelaties, geblokkeerde bankrekeningen, Wwft-onderzoeken, integriteitsonderzoeken en registraties in interne of externe waarschuwingsregisters.

Wordt uw bankrekening of betaaldienst beëindigd of heeft uw bank aangekondigd dat zij de relatie wil opzeggen? Wacht dan niet tot de rekening daadwerkelijk wordt gesloten. Juist vóór de beëindigingsdatum bestaan vaak mogelijkheden om bezwaar te maken en, indien nodig, via een kort geding voortzetting van de dienstverlening te vorderen.

Jasper Hagers
Advocaat – Fennek Advocaten